Viswijf
Mijn korte verhaal in de eindpublicatie van Het Veerhuis
Ik kleed mij aan om over de markt te lopen, de dinsdagmarkt op Blaak. Blote borsten onder tule met polkadots, de stof plakt aan mijn tepels vast. Ik maak mij op om over de markt te lopen, zwarte kohl en lippen Russisch rood, haar in een knoop op mijn hoofd, ogen achter mijn pony verscholen. Ik koop een pakje Lucky Strikes, ik rook alleen op de markt. Ze kennen me wel, de marktkoopmannen.
Ik weeg een roodbaars in mijn handen, doe maar wat pond of ons, schoongemaakt. Een zak kibbeling met ravigotesaus. Een bos anjers en een bos margrieten. Een tros bananen, en meloenen ook, eentje per hand.
Ik kijk rond, loop tegen de stroom in. Vrouwen met pruimen als mond, vrouwen met oranje gezichten en wc-rollen als haren. Gouden ringen en gouden tanden. De vrouwen die de zwaarste tassen dragen, kinderen aan hun handen, in zakken, in wagens. Vrouwen die vruchten uitkiezen, hompen vlees aanwijzen, vissen in hun ogen aankijken.
Ik hou van de penetrante lucht, de sekslucht, een mengeling van kaas en vis, zweet en put, pis en kruid. Ik doe geen parfum op als ik naar de markt ga, de markt parfumeert mij.
Vandaag wil ik een jongen vinden, een jongen die geen man is, een man die een jongen is. Een jongen die de markt begrijpt. Met mijn ellebogen leun ik op een witte statafel, mijn armbanden rinkelen terwijl ik een peuk opsteek. Lokaas. Alle stemmen op de achtergrond vormen samen muziek. Hollanders en Turken vormen de zware bas die de prijzen van hun tomaten vertolken, de versheid van hun aardbeien. Ik zou mee willen schreeuwen: verse vrouw in de aanbieding, vochtig en vet, heeft een heel seizoen liggen rijpen.
Wat ik wil, dat lukt altijd.
“Heb je misschien een peukie voor mij?” Blauwe ogen, kale kop. Kleiner dan ik, wit shirt met vetvlekken, grijze joggingbroek, werkschoenen. Een tattoo boven zijn dunne wenkbrauw. Lover. Ik glimlach en peuter een sigaret los met mijn nagel, steek hem aan, overhandig hem als een prijs.
“Roken we samen?”
“M-m. ’s Goed,” sputtert de jongen die geen man is, tegelijkertijd zuigend aan het filter.
“Maas.” Ik schud zijn hand.
“Pleun. Wat heb je gekocht?” Hij opent de blauwe plastic zak die rond zijn pols hangt en laat zijn buit aan me zien: dikke moten tonijn. De geur slaat in mijn gezicht.
“Om mojama mee te maken. Ik ben kok.” Hij wijst naar de vlekken op zijn shirt en lacht zijn tanden bloot: blinkend zilver om mee te snijden. “Lekker man, tonijn,” zegt hij. “Kom je een keertje eten met me? Trakteer ik.” Hij stampt de peuk uit op de grond en spuugt een rochel naast mijn voet, haalt zijn telefoon tevoorschijn en duwt hem in mijn handen. Ik typ mijn nummer in.
“Pleun van de markt. Leuk hoor, Pleuntje. Bedankt voor de peuk. Ik bel je wel.” Een knipoog en hij verdwijnt in de massa. Mijn kruis wordt een brandhaard. Warm genoeg om een stuk tonijn boven de grillen.
Zenuwachtig speel ik met de draad van mijn oortjes waar rapmuziek doorheen pompt om een schijn van zelfvertrouwen bij mezelf op de wekken. De artiest die het nummer geschreven heeft moet hetzelfde voelen wanneer hij zijn eigen tekst over bitches en bankoes meerapt terwijl hij in de spiegel naar zijn vette haren kijkt.
Ik heb mijn best gedaan me te kleden zoals een meisje waar zo’n kok mee wil eten, mijn nagels laten doen, lang met glimmende steentjes. Mijn nek kletsnat gespoten met een goedkoop geurtje. Ik wacht, kauw op kauwgom, en kettingrook.
“Hey, schat.” De kok ziet er verlegen uit in zijn schone trui, het is een mooie, een dure. Hij bestelt met een handgebaar twee halve liters bier alsof het in geheimtaal gebeurt, sneller dan ik kan bevatten, en ze staan zo op tafel. We praten een beetje, hij kijkt veel opzij, tikt met zijn knie tegen de tafel aan, zijn ogen zijn spleetjes die de zon in kijken. Het is een knappe jongen, ook al heeft hij een deuk in zijn hoofd. Het licht laat zijn flinterdunne gemillimeterde haartjes een beetje glimmen.
De gesprekken gaan snel, van hak op de tak, het drinken gaat sneller: bier wordt opgevolgd door cocktails die soms pittig zijn, dan weer zoet, dan weer bitter. Het is een drinktempo dat ik niet gewend ben en iedere keer dat ik naar de wc loop moet ik beter op mijn benen letten. “Get your shit together,” fluister ik tegen mijn spiegelbeeld en spuit nog wat parfum rond mijn oksels.
“Goed gedronken, ja toch. Nu gaan we eten, hier op de hoek bij zo’n tent, ik ken de eigenaar.” De leren portemonnee die aan een metalen ketting aan zijn broek vastzit is dik door de rol oranje flappen, hij klemt er eentje onder de volle asbak en loopt voor me uit naar het restaurant.
Een grote emmer gevuld met ijs en een dikke fles champagne. Een dozijn oesters. Hij kijkt me aan terwijl hij ze leeg slurpt. Vier stukken stinkende kaas kleven aan een houten plankje omringd door vijgenbrood, mosterd, compote. Een bord met dungesneden zure vis, augurkjes, een bak gevulde olijven, een tweede fles champagne. De zon brandt mijn huid kapot, de kazen zweten, de kok slaat een strontvlieg dood met zijn vlakke hand.
Met een pen uit mijn tas teken ik naakte vrouwen op het tafelkleed, we spelen boter-kaas-en-eieren, daarna galgje, zijn woord is “lul”.
“En je ouders, heb je daar een goede band mee?” vraag ik. Er zit een stukje camembert vast onder de acrylnagel, ik probeer het los te krijgen met mijn tong, mijn vingers smaken naar hoe mijn onderbroek net rook. De kok praat en ik focus me op zijn bewegende mond waar slokken drank in verdwijnen. Hij heeft een paar baardharen gemist met scheren.
Hij staat erop om te betalen, het moet minstens 300 euro zijn. Ik steek een leeggezogen oesterschelp in mijn handtas als aandenken. De mensen om ons heen op het terras kijken afkeurend toe terwijl we scheef richting een ontgrendelde checkscooter lopen. Ze dragen witte blouses, roken dikke sigaren, ik wiebel met mijn kont terwijl ik loop, lach en voel me rijk.
We zetten allebei een helm op en hij scheurt over de Erasmusbrug. Ik spreid mijn armen en gil in zijn oor, de skyline van de stad tekent af tegen de zoete roze zomerlucht en schiet aan ons voorbij. In de bochten sla ik mijn armen rond zijn middel terwijl we bijna de grond raken, bijna van het ding afpleuren, bijna mensen van hun sokken rijden. Bij een avondwinkel stopt hij.
“Haal jij even zes blikken bier en nog een pak peuken.” Het is geen vraag, ik doe wat hij zegt. We drinken onderweg uit de blikken alsof het iets is dat mag en dat kan.
“Hier werk ik. Nog een sluitdrankje om het af te leren, fuck it.” De scooter belandt in een struik, de helm een meter verder, ik val op de stoep en schaaf mijn knie open. De kok bukt om ernaar te kijken en likt het bloed van mijn hand, geeft me een kus op mijn mond. “Lekker man.” Hij loopt voor me uit, zijn jack hangt open, de mannen die voor de deur staan krijgen een handdruk en ze slaan met hun vuist tegen hun borst. Ik loop achter ze aan, ben te traag, de deur slaat bijna in mijn gezicht. Ik proef de nasmaak van mijn bloed. Oud ijzer.
Het restaurant zit nog vol met natafelende gasten, scheve blikken, vette vlekken in servetten. We drinken pastis, mijn borsten leunen zwaar en overdreven op de tafel, ze zweten. Het drankje is zoet, ik boer een beetje kots omhoog en slik het door. De kok praat aan de bar met zijn collega’s terwijl ze naar me kijken en wijzen. Ik zwaai, er wordt niet teruggezwaaid. Ze draaien zich om en verdwijnen de wc in.
Er hangt een spiegel aan de wijnrode wand, tussen de oude filmposters en antieke kandelaren in. Ik vang een blik op van mezelf in deze rokerige ruimte, het kaarslicht kleurt mijn gezicht, en alles is perfect zo. Alles dat draait en glinstert en flikkert en wankelt. Het is de allermooiste film.
Zijn kamer is sfeerloos en koud. Contouren van een bed, een stoel, een kast, flesjes, blikjes, gewichten. Ik pak een van de halters op en wil laten zien hoe ik in de sportschool een skull crunch doe, maar daar doe ik dat met drie kilo en deze weegt twintig, ik sla bijna mijn eigen schedel tot moes wanneer ik het ding boven mijn hoofd probeer te tillen. Hij kijkt toe en zegt geïrriteerd dat ik niet zo stoer moet doen. Hij zegt dat ik in bed moet komen liggen.
Maas. Zijn naam is pontificaal over zijn onbehaarde borst getatoeëerd. Met een vinger strijk ik over de tekeningen heen: een rottweiler, een ouderwetse bokser, een oestermes. Ik maak mijn lippen nat en kus het gouden kruisje dat rond zijn nek hangt, daarna zijn oor, hijg er een beetje in. Ik probeer hem te zoenen, mijn been over zijn bovenbeen te hijsen, maar hij duwt me voorzichtig terug op mijn plaats naast hem. “Kom op, hoezo nou niet,” fluister ik chagrijnig, een beetje kwijl in mijn mondhoek. Hij blijft rechtop zitten, schudt met zijn hoofd, schudt mij van zich af. Godverdomme. We werkten onszelf toch samen de afgrond in? Ik trek en duw. Alles in mijn lichaam klotst en golft.
“Ik ga jou niet neuken meisje, dat moet je niet willen ook. Ik hoef je niet te kennen om te weten dat jij dit niet bent.”
Ik adem uit en ruik: ik had mijn tanden moeten poetsen.



Na het lezen hiervan betrapte ik mezelf op het woord “hoppaaaa!!!” dat door m’n hoofd ging. Alsof alle inspanningen en training van een voetbalspeler samenkomen en je diegene een prachtig punt zit scoren.
Yaaaay!!! 😍